Kinderen komen naar school om te leren. Op De Bornput betekent dat allereerst dat we hen goed willen leren lezen, schrijven en rekenen en hun kennis meegeven van de wereld waarin zij leven. Tegelijk gebeurt er op school meer. In de jaren waarin een kind aan onze zorg is toevertrouwd, wordt het ook gevormd. Daarom horen onderwijzen en vormen voor ons bij elkaar.
Vanuit die overtuiging ontwikkelen we ook de manier waarop we ons onderwijs organiseren. De eigen groep blijft voor kinderen een vertrouwde plek, maar hoeft niet voor alles de grens van het leren te zijn. Leerkrachten en onderwijsassistenten werken samen en kunnen hun kwaliteiten inzetten waar die nodig zijn.
Daarin kiest De Bornput bewust een eigen weg. We zoeken naar nieuwe manieren om ons onderwijs te organiseren, met behoud van wat we wezenlijk vinden: goed onderwijs, duidelijke leiding, gemeenschap en brede vorming.
Onderwijzen en vormen
Goed onderwijs vraagt om leerkrachten die weten wat belangrijk is om te leren. Zij brengen kennis over, leggen uit, doen voor en oefenen samen met kinderen. Een stevige beheersing van lezen, taal en rekenen is onmisbaar. Daarnaast willen we kinderen veel leren over de wereld waarin zij leven.
Terwijl kinderen leren, spelen en samenleven, worden zij ook gevormd. Vanouds spreken we daarbij over de vorming van verstand, wil, gevoel en geweten. Kinderen leren nadenken en begrijpen, maar ook volhouden, omgaan met gevoelens, rekening houden met anderen en onderscheiden wat goed is.
Gods Woord en de daarop gegronde belijdenisgeschriften geven hier richting aan. Ze bepalen hoe we kijken naar kinderen, kennis en leren, naar gezag en verantwoordelijkheid en naar onze verhouding tot de ander en de wereld. We willen kinderen toerusten voor de taak en roeping die zij op hun plaats in het leven hebben.
Vorming is daarom geen afzonderlijk onderdeel van het lesprogramma. Ze vindt juist plaats in het gewone schoolleven: bij het leren van nieuwe kennis, tijdens het samenwerken, in het ontvangen van correctie, bij een moeilijke opdracht of wanneer een kind verantwoordelijkheid krijgt. Niet alles wat daarin van betekenis is, laat zich meten of vastleggen in een leerdoel.
Van thuis naar een steeds grotere wereld
Een kind komt op school vanuit een gezin waarin het wordt opgevoed en al veel heeft ontvangen en geleerd. Ouders dragen de eerste verantwoordelijkheid voor die opvoeding. De school staat in het verlengde daarvan en heeft tegelijk een eigen opdracht.
Op school wordt de wereld van kinderen groter. Ze leren lezen en rekenen, maken kennis met geschiedenis, natuur en cultuur en ontmoeten andere kinderen. Langzamerhand leren ze steeds meer hun plaats innemen.
Als christelijke school willen we hen daarin de weg wijzen. We schermen kinderen niet af van de wereld, maar laten hen er ook niet zonder richting in staan. Onderwijs helpt hen de werkelijkheid te leren kennen en begrijpen en daarin steeds meer te onderscheiden.
Dat maakt de verbinding tussen ouders en school wezenlijk. We staan ieder vanuit een eigen verantwoordelijkheid rond hetzelfde kind. Dat vraagt om openheid en vertrouwen, om naar elkaar te luisteren en samen te zoeken naar wat een kind nodig heeft om te leren en gevormd te worden.
Samen verantwoordelijkheid dragen
De leerkracht heeft op De Bornput een belangrijke plaats. Hij of zij onderwijst, kent de leerlingen, stelt grenzen en geeft leiding. Dat biedt rust en veiligheid en schept tegelijk ruimte waarin kinderen kunnen leren en groeien.
Daarbij kijken we niet alleen naar het afzonderlijke kind. Een kind maakt deel uit van een groep. Daar leert het een plaats innemen, omgaan met verschillen, luisteren naar anderen, hulp geven en ontvangen. Kinderen ervaren er ook dat hun gedrag invloed heeft op anderen.
De leerkracht heeft daarom oog voor wat er tussen kinderen gebeurt. Wie vindt gemakkelijk aansluiting en wie minder? Welke gewoonten ontstaan in de groep? Welke invloed hebben kinderen op elkaar? Soms heeft een individuele leerling iets nodig; soms vraagt juist wat er in de groep gebeurt om aandacht. Ook bij spanning of een conflict blijft de leerkracht beschikbaar, stelt grenzen en helpt kinderen om verantwoordelijkheid te nemen en waar mogelijk te herstellen wat beschadigd is.
Ook leerkrachten staan er niet alleen voor. We groeien naar een organisatie waarin leerkrachten en onderwijsassistenten steeds meer samen verantwoordelijkheid dragen voor het onderwijs aan meerdere groepen. Daarbij blijft voor kinderen herkenbaar bij welke groep en leerkracht zij horen.
Samenwerken vraagt om heldere afspraken en vertrouwen in elkaars vakmanschap. Het biedt tegelijk de mogelijkheid om kwaliteiten van collega’s breder in te zetten en leerlingen met meer dan één paar ogen te kennen.
Een eigen groep, leren binnen de unit
Ieder kind hoort op De Bornput bij een eigen groep en heeft een eigen leerkracht. Die groep is de vertrouwde basis van de schooldag. Kinderen kennen elkaar, leren samen en weten waar en bij wie ze horen. Tegelijk hoeft de eigen groep niet voor ieder onderdeel de grens van het leren te zijn. We groeien naar een manier van werken waarin meerdere groepen samen een unit vormen. Leerkrachten en onderwijsassistenten dragen daarin samen verantwoordelijkheid en kunnen hun kwaliteiten inzetten waar die nodig zijn. Voor bepaalde instructie, oefening of verdieping kunnen leerlingen daarom ook met kinderen uit een andere groep werken.
Dat helpt ons ook om rekening te houden met verschillen tussen kinderen. Geen twee kinderen zijn hetzelfde. Ze verschillen in aanleg, tempo, karakter en in wat zij nodig hebben om tot leren te komen. Dat betekent niet dat ieder kind een eigen onderwijsprogramma krijgt. We zoeken binnen het gezamenlijke onderwijs naar wat een leerling nodig heeft.
De groep heeft daarbij meer betekenis dan alleen de organisatie van het onderwijs. Kinderen leren niet alleen van de leerkracht, maar ook in de omgang met elkaar. Ze leren erbij horen, rekening houden met een ander, ruimte innemen en ruimte geven. De groep is daarmee ook een plaats waar kinderen samen leren leven. De eigen groep geeft houvast; binnen de unit ontstaat ruimte om het onderwijs flexibeler te organiseren.
Groeien in verantwoordelijkheid
Binnen die gemeenschap krijgen kinderen geleidelijk meer verantwoordelijkheid. Bij een jong kind kan dat gaan om luisteren, zorgvuldig omgaan met materialen, een taak uitvoeren of hulp leren vragen. Later komen daar bijvoorbeeld plannen, feedback gebruiken en keuzes maken binnen gestelde kaders bij.
Wat soms eigenaarschap wordt genoemd, verstaan wij daarom vooral als groeien in verantwoordelijkheid. Onder leiding van volwassenen leren kinderen steeds meer dragen wat hun wordt toevertrouwd. Daar raakt onderwijs aan gewetensvorming. Kinderen leren niet alleen welke regels gelden, maar gaandeweg ook onderscheiden wat goed is en daarnaar handelen. Een mens leeft immers niet alleen voor zichzelf, maar in verhouding tot God en de naaste.
Doelgericht en flexibel leren
Goed onderwijs vraagt dat helder is wat kinderen moeten kennen en kunnen. Daarom werken we steeds meer vanuit leerdoelen. Methoden helpen ons daarbij met inhoud, structuur en oefenmateriaal. Tegelijk kijken we verder dan de bladzijde die op dat moment aan de beurt is. De vraag is wat een leerling moet leren en wat daarvoor nodig is.
Soms vraagt dat om gezamenlijke instructie en veel oefening. Een andere keer is extra uitleg, verdieping, zelfstandig werken of samenwerken passend. Waar het helpt, kunnen leerlingen voor een onderdeel anders worden gegroepeerd. Zo kunnen leerkrachten en onderwijsassistenten hun kwaliteiten inzetten waar die het meest nodig zijn.
Toetsen geven belangrijke informatie over wat kinderen beheersen en wat nog aandacht vraagt. De leerkracht ziet daarnaast dagelijks het werk, stelt vragen en observeert. Feedback helpt om de volgende stap te bepalen. Vanuit diezelfde gedachte ontwikkelen we kindgesprekken en portfolio’s verder.
Daarbij houden we oog voor de grenzen van wat meetbaar is. De vorming van verstand, wil, gevoel en geweten is groter dan de optelsom van leerdoelen en resultaten. Goed onderwijs vraagt naast gegevens altijd om opmerkzaamheid, pedagogisch inzicht en gesprek.
Ook de manier waarop kinderen kennis verwerven kan verschillen. Soms ontvangen zij die door uitleg en lezen, vervolgens verwerken ze die door te oefenen, samen te werken, onderzoeken of maken. Binnen ons thematisch onderwijs verbinden we waar dat zinvol is verschillende vakgebieden, zodat kinderen verbanden leren zien. De wereld die zij zo steeds beter leren kennen, is Gods schepping. Kennis helpt hen iets van haar rijkdom en samenhang te zien.
Leren in en van de werkelijkheid
Kinderen leren niet alleen uit boeken, methoden of van een beeldscherm. Waar het kan, brengen we hen ook in aanraking met de werkelijkheid zelf. Buiten iets meten, een plant onderzoeken, met echte materialen werken of iemand ontmoeten die vanuit ervaring over een onderwerp vertelt, kan het leren verdiepen.
Dat hoeft niet voortdurend spectaculair te zijn. Goed leren vraagt ook rust en aandacht. Kinderen moeten ergens bij kunnen blijven, leren kijken en luisteren en tijd krijgen om te oefenen en iets werkelijk te begrijpen.
Digitale middelen gebruiken we daarom waar ze iets toevoegen. Op andere momenten kiezen we bewust voor papier, een boek, concreet materiaal, persoonlijk contact of een echte ervaring.
Voor jonge kinderen krijgt dit een eigen vorm. Zij leren sterk door spel, beweging, nabootsing en ervaring. De leerkracht zorgt voor een rijke speelomgeving, observeert en begeleidt, voegt taal en kennis toe en geeft gerichte instructie waar dat nodig is. Geborgenheid, herkenbaarheid, ritme en rust zijn daarbij belangrijk. Vanuit die veilige basis kan hun wereld steeds groter worden.
Onze visie krijgt ruimte in het nieuwe gebouw
De ontwikkeling van ons onderwijs is meegenomen in het ontwerp van het nieuwe schoolgebouw. Niet het gebouw bepaalt hoe we onderwijs geven; het gebouw is ontworpen om onze manier van werken te ondersteunen.
Steeds vier groepen krijgen straks hun plek rond een gezamenlijk leerplein. Binnen zo’n unit werken vier leerkrachten en één of twee onderwijsassistenten. De groepen houden hun herkenbare basis, terwijl collega’s samen verantwoordelijkheid dragen en hun kwaliteiten breder kunnen inzetten.
Dat maakt verschillende vormen van onderwijs naast elkaar mogelijk. Terwijl een groep leerlingen extra instructie krijgt, kunnen anderen bijvoorbeeld oefenen, zelfstandig werken of samenwerken. Het leerplein is daarbij geen ruimte waarin kinderen voortdurend vrij rondlopen, maar een onderwijsruimte die onder verantwoordelijkheid van het team wordt gebruikt.
Ook buiten komt ruimte om te spelen en bewegen en om te onderzoeken en ervaren. Het gebouw gaat ons helpen om verschillende manieren van leren een passende plek te geven. We wachten daarmee niet tot het nieuwe gebouw klaar is. Ook nu groeien we stap voor stap in de samenwerking tussen collega’s en in het flexibeler organiseren van ons onderwijs.
Vernieuwen vanuit wat we willen behouden
De Bornput kiest bewust voor ontwikkeling. Niet omdat nieuw onderwijs vanzelf beter is, maar omdat we zoeken naar manieren om onze opdracht zo goed mogelijk uit te voeren.
Daarin willen we een herkenbare positie innemen: we benutten eigentijdse mogelijkheden in de organisatie van het onderwijs vanuit een klassieke christelijke visie op onderwijzen en vormen.
Dat betekent dat vormen kunnen veranderen, terwijl wezenlijke uitgangspunten blijven. De leerkracht onderwijst en geeft leiding. Kennis doet ertoe. Kinderen hebben oefening, rust en duidelijke grenzen nodig. De groep is een gemeenschap waarin zij leren met anderen te leven. Collega’s dragen samen verantwoordelijkheid en kinderen krijgen, passend bij hun ontwikkeling, steeds meer verantwoordelijkheid toevertrouwd.
Nieuwe werkwijzen voeren we daarom zorgvuldig in. Een gedachte uit de ontwikkeling van ons schoolconcept blijft daarbij richtinggevend: Kinderen zijn geen onderwerp voor experimenten.
De vorm van ons onderwijs zal zich blijven ontwikkelen. De opdracht daaronder verandert niet. We willen kinderen goed onderwijzen, hen leren samenleven en hen stap voor stap verantwoordelijkheid leren dragen voor wat hun wordt toevertrouwd. Daarmee willen we hen toerusten voor de plaats die zij in het leven ontvangen, tegenover God en de naaste; afhankelijk van Zijn zegen over opvoeding en onderwijs.